Beeldtaal gedicht

Stap 1

Schrijf zoveel mogelijk dieren op

werkblad metaforen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bedenk er een vergelijking bij, dus waar het op lijkt. Probeer dit zo creatief mogelijk te omschrijven

Enkele voorbeelden van kinderen:

  • Wespen zijn net zoemende naalden
  • Beren zijn net grommende bontjassen
  • Apen zijn net slingerende grijparmen
  • Leeuwen zijn net suikerspinnen op pootjes

 

 

 

 

 

 

Stap 2

Streep de namen van de dieren door

Streep in elke regel ‘zijn net’ door

Onderstreep de vergelijkingen die je het beste vindt, minimaal vier

Schrijf ze onder elkaar; kies hiervoor de mooiste volgorde

Voeg als je dat mooi vindt er zinnen aan toe.

Voorbeeld

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet
grommende bontjassen
slingerende grijparmen
een suikerspin op pootjes
en een zwartwitte regenjas
en wat het zijn, dat raad je niet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik zie de zee
Ik hoor de golven ruisen
Ik proef het zout op mijn tong
Ik ruik het vismaaltje van de meeuwen
Ik voel het zand tussen mijn tenen.

Ik zie de zee
Ik hoor de golven ruisen
Ik proef het zout op mijn tong
Ik ruik het vismaaltje van de meeuwen
Ik voel het zand tussen mijn tenen.

zee
golven ruisen
zout op mijn tong
vismaaltje van de meeuwen
zand tussen mijn tenen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Dus:

1. Kies een onderwerp.

Bijvoorbeeld: de camping, de dierentuin, het strand, de speeltuin, de gymzaal, het schoolplein, voetbalwedstrijd, etc.

2. Maak voor elke zintuig een zin af, dus

Ik zie
Ik hoor
Ik ruik
Ik proef
Ik voel

3. Streep de eerste drie woorden door. Dus: ‘ik’, het werkwoord en het lidwoord (de, het of een)